FOKREGLEMENT NOG April 2010
1. De organisatie.
1.1. Het lidmaatschap
1.2. De fokcommissies
1.3. Het stamboeksecretariaat
1.4. Stamboekinspectie
2. Het stamboek.
2.1. Het register of hulpstamboek
2.2. Het jongveeregister
2.3. Het stamboek
3. Rassen.
3.1. De stamboekrassen
3.2. De Melkgeit
3.3. Overige rassen
4. Registratie en opname.
4.1. Het registreren van dekkingen
4.1.1. Dekbewijs
4.1.2. Kunstmatige inseminatie en embryotransplantatie
4.2. Het registreren van lammeren
4.2.1.Geboortebericht
4.2.2. Geboortelijst
4.2.3. Het levensnummer
4.2.4. Het tatoeëren / merken
4.2.5. Het afstammingsbewijs
4.3. Opname in het stamboek en register
4.3.1. Voorlopige opname van jonge bokken
4.3.2. Definitieve opname van bokken
4.3.3. Opname van geiten in stamboek of register
4.3.4. Herkeuring op verzoek
4.3.5. Herkeuring op beroep
5. Prestatieonderzoek.
5.1. Melkproductiecontrole
5.2. Groei-eigenschappen
5.3. Afstammelingenkeuringen
6. Predikaten.
6.1. Stamboek
6.2. Bokmoeder
6.3. Bokmoeder B
6.4. Keurstamboek
6.5. Stergeit
6.6. Keurbok
6.8. Topgeit
6.9. Ontnemen van predikaten
7. Aan- en afvoer van dieren
7.1. Aan- en verkoop
7.2. Afvoer
7.3. Export
7.4. Import
1. De organisatie
Het doel van de Nederlandse Organisatie voor de Geitenfokkerij (NOG) is het
bevorderen van een doelmatige fokkerij van geiten in Nederland in de ruimste
zin van het woord. Het uitvoeren van taken op het gebied van registratie, waaronder
begrepen het aanleggen en bijhouden van een registratiebestand van geiten en
het verzamelen en vastleggen van voor de fokkerij belangrijke gegevens van de
geregistreerde dieren, alsook het verwerken van de geregistreerde gegevens behoort
tot de kerntaken van de NOG.
1.1. Het lidmaatschap
De geitenhouder is lid van een plaatselijke vereniging.
De verenigingen zijn lid van de NOG, waardoor de geitenhouder gebruik kan maken
van de diensten van de NOG.
1.2. De fokcommissies
De fokcommissies hebben als taak de raseigenschappen van geiten te bewaren en
te versterken. Elk stamboekras (vier melkgeitenrassen: Wit, Bont, Toggenburger
en Nubisch en één vleesgeitenras: Boergeit) heeft haar eigen fokcommissie.
De fokcommissie bepaalt wat de rasstandaard is, welke dieren er voor de fokkerij
ingezet kunnen worden en geeft voorlichting aan de fokkers. Iedere fokker die
bij de NOG geregistreerde dieren van het betreffende ras heeft, is automatisch
aangesloten bij de betreffende fokcommissie en spreekt op de door de fokcommissie
belegde vergaderingen mee over de raseigenschappen en allerlei andere zaken.
1.3. Het stamboeksecretariaat
Het landelijk stamboekbestand wordt beheerd onder verantwoordelijkheid van het
NOG-bestuur en omvat het gehele leden-, fokkers- en dierenbestand van de NOG.
De door het bestuur aangestelde regionale stamboeksecretariaten onderhouden
deelbestanden, waarin in ieder geval de gegevens van de fokkers en dieren van
de betreffende regio zijn opgeslagen. Mutaties worden geregeld (eenmaal per
twee tot vier weken) uitgewisseld met het landelijk stamboekbestand.
1.4. Stamboekinspectie
Stamboekinspecties worden uitgevoerd door daartoe opgeleide en aangestelde inspecteurs.
De stamboekinspecteurs vallen onder de verantwoordelijkheid van de landelijke
organisatie en worden door de permanente scholingscommissie van de NOG begeleid
middels instructie- en bijscholingsdagen en instructiemateriaal.
2. Het stamboek
Het totale stamboek bestaat uit het register (of hulpstamboek), het jongveeregister
en het eigenlijke stamboek.
2.1. Het register of hulpstamboek
Geiten met een geheel of gedeeltelijk onbekende afstamming (onvolledige afstamming),
maar die voor wat betreft het exterieur voldoen aan de eisen die door de fokcommissie
aan het ras worden gesteld en hierop zijn beoordeeld door een voor het betreffende
ras erkende inspecteur van de NOG, kunnen worden ingeschreven in het register
of hulpstamboek (noot: niet alle rassen kennen een register of hulpstamboek.
Bij afwezigheid van het register kunnen dieren van een onbekende afstamming
niet worden geregistreerd en spreekt men van een gesloten stamboek). Voor de
beoordeling op raskenmerken dienen de dieren van de melkgeitenrassen melkgevend
te zijn. Deze dieren worden registerdieren genoemd en in het databestand gekenmerkt
met een "R".
2.2. Het jongveeregister
Geitenlammeren, geboren uit stamboek-, volbloed- of registerdieren kunnen worden
opgenomen in het jongveeregister, mits ze geen erfelijke gebreken vertonen.
Voor het registreren van boklammeren gelden in het algemeen strengere regels
ten aanzien van afstamming en exterieur. De geregistreerde dieren in het jongveeregister
worden volbloeddieren genoemd en in het databestand gekenmerkt met "JVR".
Bij het ras Boergeit geldt dat dieren die een volbloedpercentage hebben van
87,5 % of meer geregistreerd kunnen worden in het jongveeregister.
2.3. Het stamboek
Volbloeddieren kunnen worden opgenomen in het stamboek als zij voldoen aan de
exterieureisen die door de fokcommissie zijn gesteld. Opname in het stamboek
kan bij bokken vanaf een leeftijd van vier maanden, geiten dienen melkgevend
te zijn. De stamboekopname dient te gebeuren door een voor het betreffende ras
erkende inspecteur van de NOG.
Goedgekeurde dieren worden stamboekdieren genoemd en in het databestand gekenmerkt
met een "S". Later kan dit al naar gelang prestatie veranderen in
"BM" of "BMB"of "KS"
3. Rassen.
De NOG registreert alle rassen van haar leden. Er wordt onderscheid gemaakt
in de stamboekrassen (Wit, Bont, Toggenburger, Nubisch en Boergeit), een gebruiksras
(Melkgeit) en overige rassen.
3.1. De stamboekrassen
Van de volgende rassen wordt een stamboek bijgehouden:
· de Nederlandse Witte geit;
· de Nederlandse Bonte geit;
· de Nederlandse Toggenburger geit;
· de Nederlandse Nubische geit;
· de Nederlandse Boergeit.
Voor de stamboekrassen wordt een jongveeregister en een stamboek bijgehouden.
Voor de Witte, de Toggenburger en de Bonte geit is opname van geiten met geheel
of gedeeltelijk onbekende afstamming in het register of hulpstamboek mogelijk.
Nubische geiten:
Dieren met een onbekende moeder en een stamboekvader kunnen geregistreerd worden.
Deze dieren worden bij het Nubische ras gekenmerkt met F1 in het databestand.
Indien er doorgekruist wordt met Nubische stamboekbokken kan na zes generaties
de geit aangeboden worden voor opname in het stamboek. De dieren uit deze kruisingen
worden in het databestand gekenmerkt met F2, F3, F4, F5 en F6 voor respectievelijk
de tweede kruising met een stamboekbok tot en met de zesde kruising met een
stamboekbok. Dochters uit een F6-geit en een stamboekbok kunnen als volbloed
in het jongveeregister worden ingeschreven (noot: F-geiten hebben dus een duidelijk
andere status dan R-geiten, zij worden niet als rasvertegenwoordigers binnen
het ras geregistreerd. Overeenkomsten zijn, dat van zowel F6- als registergeiten
de dochters als volbloed kunnen worden erkend. Ook mogen F-geiten aan keuringen
meedoen, waar ze worden beoordeeld als Nubische geiten.
Boergeit:
Het ras Boergeit heeft een open stamboek en werkt daardoor met een jongveeregister
gekoppeld aan een stamboek, naast het werken met een (hulpstamboek of) register.
Om toegelaten te worden tot het stamboek Boergeit hebben geiten een volbloedpercentage
van minstens 87,5% nodig. Om toegelaten te worden tot het stamboek Boergeit
hebben bokken een volbloedpercentage van minstens 93,8% nodig. Voor stamboekfokkerij
wordt alleen inzet van bokken toegestaan uit stamboekvader X stamboekmoeder.
Boklammeren, waarvan de vader bij dekking en de moeder bij geboorte geen stamboekdier
waren, worden geregistreerd in het ras "overig".
3.2. De Melkgeit
De Melkgeit is een gebruiksras met duidelijke melktypische eigenschappen. Kleur,
kopvorm, oorstand en oorlengte zijn niet van belang. Elk melktypisch dier kan
binnen dit ras geregistreerd worden. Dit kunnen dieren van de stamboekrassen,
dieren uit overige (melkgeiten-)rassen, kruisingen tussen rassen en dieren van
onbekende afstamming zijn.
Van dit gebruiksras wordt een register of hulpstamboek bijgehouden, waarin alle
aangeboden dieren kunnen worden geregistreerd op verzoek van de eigenaar. Nakomelingen
uit geregistreerde dieren worden opgenomen in het jongveeregister van het ras
Melkgeit. Indien bij inspectie blijkt dat er geen erfelijke afwijkingen zijn,
worden de dieren opgenomen in het hulpstamboek met een stamboekrapport gebaseerd
op melk- en gebruikseigenschappen.
3.3. Overige rassen
Alle dieren van elders erkende rassen kunnen geregistreerd worden met of zonder
ouders. Voor deze dieren wordt geen stamboek of jongveeregister bijgehouden,
alleen een register of hulpstamboek. Voor de volgende rassen is een codeletter
gereserveerd:
A: Angorageit
D: Dwerggeit
E: Duitse Edelgeit
F: Franse Alpinegeit
H: Hertegeit
L: Landgeit
S: Wallische geit
Niet vermelde rassen worden gecodeerd met O voor overig.
Registratie gebeurt op verzoek van de eigenaar met de rascode die behoort bij
het door de eigenaar opgegeven ras.
4. Registratie en opname
De registratie van dieren en opname in het stamboek is aan een aantal voorwaarden
gebonden. De uitvoering van de tatoeage / het oormerken en de registratie geschiedt
onder verantwoordelijkheid van de NOG, waarbij jaarlijks controle op de uitvoering
zal plaatsvinden.
4.1. Het registreren van dekkingen
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen dekkingen uit de hand en het inscharen
van bokken. Bij dekkingen uit de hand wordt de datum van de dekking genoteerd.
Bij inscharen wordt de periode waarin de bok samen met de geiten gehuisvest
of geweid is geweest, opgegeven. Indien men de dekking heeft gezien of er van
een dekblok gebruik is gemaakt, kan tevens de vermoedelijke dekdatum vermeld
worden. Als er bij het inscharen van bok wordt gewisseld, moet er een periode
van veertien dagen tussen het uitscharen van de ene bok en het inscharen van
de volgende bok aangehouden worden, tenzij men gebruik maakt van dekblokken
met per bok een verschillend gekleurd blok. In dat geval voldoet een periode
van vier dagen tussen het uit- en inscharen, onder voorwaarde dat de dekdata
zijn vastgelegd. Het is niet toegestaan meerdere bokken tegelijkertijd in één
koppel in te scharen.
Van lammeren, waarvoor van de moeder niet tijdig een dekbewijs of vermelding
op een deklijst bekend was bij het stamboeksecretariaat, wordt afstamming (en
ras) niet erkend.
4.1.1. Dekbewijs
De bescheiden voor de dekbewijzen (het zogenaamde dekboekje) dienen bij de NOG
te worden aangeschaft. Het dekbewijs wordt tevens gehanteerd als geboortebericht.
Alternatief hiervoor is om de geboortes te melden door middel van het formulier
op de NOG-website.
Indien men een geit laat dekken bij een bokhouder, moet het afstammingsbewijs
aan de bokhouder getoond worden, zodat deze de gegevens kan overnemen en controleren.
Van het ingevulde dekbewijs wordt het origineel aan de eigenaar van de geit
gegeven, de doorslag dient te worden bewaard door de bokhouder. Herdekkingen
(door dezelfde bok) moeten worden bijgeschreven op het dekbewijs (origineel
en kopie). Voor een herdekking door een andere bok dient een nieuw dekbewijs
te worden uitgeschreven. Het is niet toegestaan een geit in dezelfde bronstperiode
door meerdere bokken te laten dekken.
4.1.2. Kunstmatige inseminatie en embryotransplantatie
Kunstmatige inseminatie (KI) wordt als bevruchtingsmethode voor stamboekdieren
erkend, mits:
· het sperma is gewonnen volgens de in Nederland geldende regels en /
of op een officieel spermawinstation;
· het sperma afkomstig is van een in het stamboek opgenomen bok, of bij
importsperma, afkomstig is van een voor het betreffende stamboek erkende bok;
· het sperma deugdelijk en uniek is geïdentificeerd;
· er op het dekbewijs is aangegeven dat het KI betreft (door achter de
datum "KI" te noteren).
Lammeren geboren uit embryotransplantatie (ET) worden als volbloed lammeren
erkend, mits:
· de biologische ouders voldoen aan de eisen die aan ouders van volbloedlammeren
worden gesteld;
· er een certificaat van oorsprong van het embryo is;
· de volledige transplantatie door bevoegde personen is uitgevoerd;
· er een door de uitvoerder ondertekend bewijs van implantatie bij de
ontvangende moeder is.
4.2. Het registreren van lammeren
Geitlammeren
Voor het registreren van geitlammeren binnen een stamboekras moet de moeder
binnen dat ras ingeschreven zijn in het register, jongveeregister of stamboek
en moet de vader ingeschreven staan binnen het stamboek. Bij het ras Nederlandse
Boergeit geldt een volbloedpercentage van minimaal 87,5 %.
De dekgegevens moeten correct en tijdig zijn opgestuurd naar de stamboeksecretaris.
Een uitzondering op de regel dat beide ouders binnen hetzelfde ras moeten zijn
geregistreerd is gemaakt voor bonte bok- en geitlammeren uit een kruising Bont
x Wit, Bonte bok- en geitlammeren uit Wit x Wit en voor Witte geitlammeren,
afkomstig uit een kruising Bont x Wit. Deze lammeren worden geregistreerd in
het jongveeregister Bont.
(noot: Bonte dieren uit Witte ouders of een Bonte kruising uit Bont x Wit zijn
in erfelijke aanleg zuiver bont en verschillen dus niet van andere bonte dieren.
Een wit dier uit een kruising Bont x Wit is onzuiver bont (heeft de recessieve
bontfactor). Deze geitlammeren worden wel opgenomen in het jongveeregister,
zodat deze dieren in ieder geval worden geregistreerd, verder kunnen zij worden
gebruikt in de bontfokkerij en niet via het register weer in het Witte stamboek
terecht komen).
Boklammeren
Voor het tatoeëren en registreren van boklammeren van de stamboekrassen
zijn speciale eisen gesteld die in onderstaande tabel staan aangegeven. Bij
aanmelding van de geboorte van boklammeren controleert de regionale stamboeksecretaris
of de moeder van het boklam voldoet aan de door de NOG en fokcommissie gestelde
eisen voor registratie binnen het ras.
Tabel. Eisen voor opname van bokken in het jongveeregister, gesteld door NOG en in een aantal gevallen aangevuld met eisen van de fokcommissies.
Algemene eisen NOG: de ouders moeten ingeschreven zijn in het stamboek;
| Fokcie Wit | Fokcie Bont | Fokcie Toggenburger | Fokcie Nubisch | Fokcie Boergeit |
| *Geen eisen | *Tweede generatie volbloed *Melklijst van minimaal 200 dagen |
* Moeder met predikaat Bokmoeder (BM) of Bokmoeder B( BMB) | *Geen eisen buiten de algemene NOG eisen | * Volbloed percentage van minimaal 93,8 %. |
De Fokcommissie Witte Geiten heeft bepaald dat een bokje geboren uit een moeder
zonder opnamerapport wordt geplaatst bij Melkgeit als GA (geregistreerde afstamming)
tot de moeder is opgenomen in het stamboek. Na opname neemt de eigenaar het
initiatief en verzoekt de regionale stamboeksecretaris het over te schrijven
naar het register van jongvee bij de Witte geiten.
Bij de Fokcommissie Nubische Geiten kent men het wachtbokprincipe.
Bokjes geboren uit moeders die nog niet in het stamboek zijn opgenomen worden
in het stamboekbestand geregistreerd onder het ras overige. De bok mag pas ingezet
worden voor de fokkerij nadat de moeder in het stamboek is opgenomen en de bok
voorlopig is opgenomen.
Lammeren van de overige rassen (inclusief Melkgeit) kunnen worden
geregistreerd. De afstamming van deze dieren kan eveneens worden vastgelegd
indien de dekgegevens tijdig en correct zijn opgestuurd naar het stamboeksecretariaat.
Voor het vaststellen van de levensnummers van de geiten wordt
de systematiek van I&R toegepast. In de Europese Unie is voor geiten de
I&R-regeling van kracht (Identificatie en Registratie). Hiertoe krijgt elke
geit een unieke codering (levensnummer). De regels van de overheid dienen hierbij
in acht genomen te worden. Deze zijn te vinden op het LNV-loket www.minlnv.nl/loket
bij onderwerp registreren. Of u kunt bellen met 0800-2233322.
De NOG is verantwoordelijk voor registratie en afstamming en
houdt toezicht op tatoeage en oormerken. Jaarlijks worden daartoe onder meer
steekproefsgewijs dieren aangewezen voor afstammingsonderzoek (DNA-onderzoek).
De leden zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan deze en andere controles.
Indien onregelmatigheden worden geconstateerd in registratie, afstamming en
/ of tatoeage worden de betreffende dieren uit de registers van het betreffende
ras verwijderd en het dier wordt onder het ras "overig / onbekend"
geplaatst. Indien relevant, wordt de afstamming van het dier doorgehaald. Eventuele
nakomelingen kunnen nooit als volbloeddier erkend worden.
4.2.1. Geboortebericht
Het ingevulde dekbewijs dient tevens als geboortebericht en moet binnen zeven
dagen na het aflammeren zijn ingeleverd bij het regionale stamboeksecretariaat.
Op het dekbewijs / geboortebericht moet de lamdatum en (per lam) het geslacht,
hoornaanleg en indien het een te registreren lam betreft naam en volgnummer
worden ingevuld.
4.2.2. Geboortelijst.
Voor geitenhouders met zesentwintig of meer volwassen geiten volstaat het invullen
van een geboortelijst, die kan worden aangevraagd bij de secretaris van de NOG.
Per geit wordt de lamdatum ingevuld en van de lammeren het geslacht, de hoornaanleg,
het ingebrachte levensnummer en indien gewenst de naam. Deze lijst moet uiterlijk
drie maanden na de geboorte van het eerste vermelde lam in het bezit zijn van
de regionale stamboeksecretaris.
4.2.3. Het levensnummer
Ter registratie van de dieren wordt een uniek levensnummer gegeven. Dit nummer
wordt verstrekt door LNV samen met een elektronische herkenning in de vorm van
een bolus of oormerk. Altijd moet het volledige unieke nummer worden doorgegeven
aan de stamboeksecretarissen.
4.2.4. Het tatoeëren/ inbrengen van oormerken.
De geitenhouder is verantwoordelijk voor het tijdig en correct inbrengen van
het levensnummer van de lammeren. Het tatoeëren / inbrengen van de oormerken
dient bij de geitenhouder thuis te gebeuren. Het inbrengen van het levensnummer
dient volgens de regels van de overheid plaats te vinden. Foutief ingebrachte
tatoeages kunnen niet hersteld worden. Dit dient te worden gemeld bij de stamboeksecretaris.
4.2.5. Het afstammingsbewijs
Na tatoeage of oormerking en het aan het regionale stamboeksecretariaat opsturen
van het dekbewijs met de levensnummers en gegevens van de lammeren, ontvangt
de eigenaar een volledig ingevuld jongveeformulier of afstammingsbewijs. De
grotere zelfmerkende bedrijven kunnen een overzichtslijst ontvangen.
4.3. Opname in het stamboek en register
Bij de opname van dieren wordt gebruik gemaakt van een NOG-keurrapport. Dit
rapport is verdeeld in de zogenaamde bovenbalk, de onderbalk en de afwijkingen.
De bovenbalk bevat de belangrijkste beoordelingscriteria, te weten: Algemeen
voorkomen, Type, Ontwikkeling, Uier en Benen (en voor het ras Boergeit in plaats
van Uier het onderdeel Bespiering). Voor deze criteria worden punten gegeven
op een schaal van 65 tot 100. In de onderbalk worden diverse onderdelen beoordeeld
op een schaal van 1 tot en met 9. Bij de afwijkingen wordt aangegeven of het
dier bepaalde afwijkingen in bouw of kleur vertoont, waarbij onderscheid gemaakt
wordt in lichte en ernstige afwijkingen en in uitsluitingen.
Eerste lactatiegeiten en bokken jonger dan vierentwintig maanden
krijgen voor het onderdeel algemeen voorkomen maximaal 89 punten, waarbij de
eerste lactatiegeiten voor het onderdeel uier eveneens maximaal 89 punten kunnen
krijgen.
Een inspecteur van de NOG, die bevoegd is om dieren van dat ras te beoordelen,
bepaalt of het betreffende dier voldoet aan de eisen die de fokcommissie voor
dat ras heeft opgesteld. Hiervan wordt een volledig keurrapport met doorslag
opgemaakt. De doordruk wordt direct na de opname overhandigd aan de eigenaar
en het origineel wordt door de stamboekinspecteur uiterlijk één
maand na de inschrijving ingeleverd bij het stamboeksecretariaat. Na inbreng
van het keuringsrapport in het stamboekbestand NOG ontvangt de eigenaar via
het stamboeksecretariaat van de NOG een bewijs van geregistreerde afstamming
met vermelding van het laatst ingebrachte keuringsrapport. Hierdoor komen eerdere
rapporten van het betreffende dier te vervallen. Indien het dier niet voldoet
aan de eisen, die door de fokcommissie zijn gesteld, vermeldt de inspecteur
dit duidelijk op het keurrapport en geeft het mondeling door aan de eigenaar.
Opnames kunnen plaatsvinden op keuringen, centraal of aan huis.
In de beide eerste gevallen worden alleen die dieren opgenomen die vooraf aan
de organisatie zijn opgegeven. In het laatste geval moet de eigenaar een verzoek
indienen bij de door de NOG hiertoe aangewezen regionale coördinatoren
en zijn voorrijdkosten verschuldigd, tenzij anders besloten door het NOG-bestuur.
Er wordt onderscheid gemaakt in een voorlopige opname, definitieve opname, herkeuring
op verzoek en herkeuring op beroep. Een dier mag slechts eenmaal per kalenderjaar
aangeboden worden voor opname in het stamboek (met uitzondering van herkeuring
op beroep).
4.3.1. Voorlopige opname van jonge bokken
De voorlopige opname geldt voor jonge volbloedbokken van de vijf rassen. Zij
kunnen vanaf een leeftijd van vier maanden tot een leeftijd van één
jaar worden aangeboden voor opname in het stamboek. Indien zij aan de stamboekeisen
voldoen mogen ze dekken totdat ze achttien maanden oud zijn. Op dat ogenblik
vervalt de voorlopige opname en zullen ze aangeboden moeten worden of zijn voor
de definitieve opname alvorens weer dekdiensten voor het stamboek te mogen verrichten.
De eisen per ras voor de voorlopige opname in het stamboek zijn, naast voldoen
aan de eisen gesteld in de rasstandaard:
| Wit | Bont | Toggenburger | Nubisch | Boergeit |
| Exterieur: Algemeen voorkomen >= 70 punten |
Exterieur:Alg. voorkomen >= 70 punten | Exterieur:Algemeen voorkomen >= 70 punten, schofthoogte >= 60 cm | Geen eisen |
4.3.2. Definitieve opname van bokken
Na een leeftijd van twaalf maanden kunnen volbloedbokken worden aangeboden voor
definitieve opname in het stamboek. Indien de bokken bij definitieve opname
aan de stamboekeisen voldoen, mogen zij ingezet worden en blijven in de fokkerij.
Om volwassen bokken na een leeftijd van achttien maanden te kunnen inzetten
voor de fokkerij moet het dier definitief ingeschreven zijn in het stamboek.
De eisen per ras voor de definitieve opname in het stamboek zijn naast voldoen
aan de eisen gesteld in de rasstandaard:
| Wit | Bont | Toggenburger | Nubisch | Boergeit |
| Exterieur: Algemeen voorkomen >=70 punten. |
Exterieur: Bovenbalk >= 78 punten. Schofthoogte minimaal 80 cm |
Exterieur: Bovenbalk >= 75 punten Schofthoogte in cm: vanaf 12 maanden: minimaal 74 cm; vanaf 18 maanden: minimaal 76 cm; vanaf 2 jaar: minimaal 78 cm |
Geen eisen |
4.3.3. Opname van geiten in stamboek of register
Volbloed geiten van de stamboekrassen kunnen worden aangeboden voor opname in
het stamboek als ze in lactatie zijn (of voor Boergeit vanaf een leeftijd van
twaalf maanden). Deze opname in het stamboek is definitief. Geiten van onbekende
afstamming kunnen, mits ze (voor de melkgeitenrassen) in lactatie zijn, worden
aangeboden voor opname in het register van Wit, Bont, Toggenburger of Boergeit.
De eisen per ras voor opname in het stamboek of register zijn:
Wit:
Exterieur:
Algemeen voorkomen = 70 punten
Kortharig / wit.
Leeftijd: Geen eis.
Bont:
Exterieur:
Schofthoogte op eenjarige leeftijd: >= 65 cm.
Schofthoogte op volwassen leeftijd: >= 70 cm.
Kortharig en tweekleurig (zwart/wit of bruin/wit).
Eenkleurige volbloed geiten worden wel opgenomen maar met bemerking E op eenkleurig
(afwijkingen).
Leeftijd: Geen eis.
Toggenburger
Exterieur:
Gewenste schofthoogte op volwassen leeftijd: 70 cm.
Beharing glad/fijn, iets langere haren aan rug en dijen toegestaan (kam en broek).
Aftekening: kleur dient egaal te zijn, de nuance is minder belangrijk.
Uitsluitingsfouten:
-geheel witte onderkaak (van keel tot sik);
-losse witte vlek(ken) aan romp en/of hals;
-bruine vlekken of strepen in het witte tekeningsbeeld (niet zijnde het dunne
potloodstreepje op de voorbenen, dit is een uiterlijke schoonheid);
-geheel witte haren in het bruine tekeningsbeeld (stekelharig);
Leeftijd: Geen eis.
Nubisch
Geen eisen
Boergeit
Exterieur:
Kleur: Kleurafwijkingen worden vooralsnog beschouwd als schoonheidsfouten.
Uitsluitingfouten: Overbeet > 6 mm, blauwe ogen, hol voorhoofd, verticaal
gevouwen oren, snoekenbek, varkensbek, meer dan twee spenen per kant.
Leeftijd: Minimaal twaalf maanden.
Eerste lactatiegeiten en bokken jonger dan vierentwintig maanden
krijgen voor het onderdeel Algemeen Voorkomen maximaal 89 punten, waarbij de
eerste lactatiegeiten voor het onderdeel uier eveneens maximaal 89 punten kunnen
krijgen.
Geiten met exterieurfouten die volgens de rasstandaard niet toegestaan zijn
of met erfelijke gebreken krijgen een score "onvoldoende" bij afwijkingen,
wat een automatische afkeuring inhoudt. Voor Algemeen Voorkomen wordt hierbij
een score gehanteerd die volgens de normale wegingcriteria bepaald wordt.
In het databestand worden deze geiten gekenmerkt met "AFG". De enige
uitzondering op afkeuring bij een score "onvoldoende" bij afwijkingen
geldt voor de kruisingdieren Wit x Bont binnen het Bonte ras, die eenkleurig
wit zijn. De score "O" leidt hier niet tot afkeuring. Eenkleurige
bokken worden wel afgekeurd!
4.3.4. Herkeuring op verzoek
Elk dier mag opnieuw voor opname in het stamboek worden aangeboden, mits het
dier in hetzelfde kalenderjaar nog niet eerder is aangeboden. Met een herkeuring
vervallen de eerdere stamboekopnames.
Indien bokken bij een herkeuring niet meer voldoen aan de stamboekeisen, mogen
ze niet meer ingezet worden in de stamboekfokkerij.
4.3.5. Herkeuring op beroep
Indien de eigenaar het niet eens is met de beoordeling van de inspecteur, kan
hij binnen veertien dagen na de datum van de beoordeling een herkeuring op beroep
aanvragen bij de secretaris van de NOG, onder overlegging van een kopie van
het opnamerapport. Binnen veertien dagen na de aanvraag om een herkeuring zal
een daartoe aangewezen inspecteur of tweetal inspecteurs de herkeuring uitvoeren.
Deze uitslag is bindend. De kosten van herkeuring op beroep zijn voor rekening
van de aanvrager, indien de herkeuring een gelijke of lagere waardering oplevert
voor Algemeen Voorkomen. Indien het dier een hogere waardering voor Algemeen
Voorkomen krijgt, zijn de kosten voor rekening van de NOG. Als kosten worden
de standaardkosten die gerekend worden bij een huiskeuring gehanteerd.
5. Prestatieonderzoek
5.1 Melkproductiecontrole - NOG
Informatie over en eisen gesteld aan de melkproductiecontrole vindt u in het
"Reglement Melkproductiecontrole van de NOG".
5.2. Groei-eigenschappen.
Voor het ras Boergeit wordt in de toekomst de prestatie bepaald aan de hand
van het wegen van de lammeren. Een reglement hiervoor is in ontwikkeling.
5.3. Afstammelingenkeuringen
Ten behoeve van de gegevensverzameling voor het schatten van fokwaardes voor
exterieur kunnen keuringen op afstammelingen worden gehouden. Deze worden uitgevoerd
door de NOG-inspecteurs en kunnen plaatsvinden tijdens keuringen en / of bedrijfsbezoeken.
Leden van de NOG en leden van instellingen / organisaties die werkzaamheden
mede namens de NOG verrichten, zijn verplicht hun medewerking hieraan te verlenen.
De aldus opgemaakte keuringsrapporten worden alleen gebruikt voor fokwaardeschattingen
en gelden niet voor stamboekopname.
6 Predikaten
Aan dieren van de stamboekrassen kunnen predikaten worden verstrekt, indien
aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De predikaten S, BM en KS worden automatisch
verstrekt, de overige predikaten moeten worden aangevraagd bij het stamboeksecretariaat.
Bij verandering van het predikaat wordt een nieuw afstammingsformulier ter beschikking
gesteld.
6.1. Stamboek
Geiten en bokken die ingeschreven zijn in het stamboek, krijgen het predikaat
Stamboek. Dit wordt door middel van "S" gecodeerd weergegeven in het
databestand.
6.2. Bokmoeder
Aan Toggenburger geiten wordt het predikaat Bokmoeder (BM) toegekend als zij
aan de daartoe gestelde eisen van de fokcommissie voldoen. Bij Witte, Nubische
en Bonte geiten wordt dit predikaat niet meer toegekend. Ook bij Boergeiten
wordt dit predikaat niet gehanteerd. Bij Toggenburger geiten is het predikaat
Bokmoeder of het predikaat Bokmoeder B vereist voor geiten waarvan men zonen
wil laten registreren in het jongveeregister, zodat ze later (na stamboekopname)
dekdiensten kunnen verrichten.
Het predikaat Bokmoeder is een predikaat voor het leven.
Aan de Toggenburger geiten worden voor het predikaat de volgende eisen gesteld.
Afstamming : Drie generaties volbloed (ouders, grootouders en overgrootouders).
Exterieur : Alle onderdelen van de bovenbalk minimaal 80 punten.
Hoogtemaat (bij inschrijving in het stamboek):
Leeftijd Schofthoogte
1 jaar >= 68 cm
2 jaar >= 69 cm
3 jaar en ouder >= 70 cm
Productie (minimum eisen afhankelijk van leeftijd bij aflammeren. Aan elk onderdeel
moet worden voldaan).
| Leeftijd(jr.mnd) | Vet & eiwit (kg) | Lactatieduur(dagen) | Vet & eiwit (gr/dag) |
| < 1.02 | 53 | 250 | 174 |
| 1.02-1.06 | 56 | 250 | 184 |
| 1.06-1.10 | 59 | 250 | 194 |
| 1.10-2.02 | 63 | 250 | 207 |
| 2.02-2.06 | 66 | 250 | 217 |
| 2.06-2.10 | 68 | 250 | 223 |
| > 2.10 | 70 | 250 | 230 |
6.3. Bokmoeder B
Aan Toggenburger geiten wordt het predikaat Bokmoeder B toegekend, als zij aan
de daarvoor gestelde eisen van de fokcommissie voldoen.
Deze door de Toggenburger fokcommissie gestelde minimum eisen voor het predikaat
Bokmoeder B zijn:
Afstamming : Drie generaties volbloed (ouders, grootouders en overgrootouders).
Exterieur : Nieuw keuringsrapport: Algemeen voorkomen >= 87 punten.
Type, benen en uier >= 85 punten.
Oud keuringsrapport: Algemeen voorkomen, uier en benen = AB
Het bestuur van de fokcommissie benoemt daarnaast een selectiecommissie, bestaande
uit drie inspecteurs die gespecialiseerd zijn in het Toggenburger ras, die de
geiten beoordeelt aan de hand van de genenbank en zo mogelijk beschikbare fokprestaties.
De commissie oordeelt op basis van de beschikbare gegevens en beoordeling van
het dier. Er vindt geen herkeuring plaats, het bestaande keurrapport van de
geit is maatgevend voor de mogelijkheid van aanmelding bij het bestuur van de
fokcommissie. De selectiecommissie kan al dan niet overgaan tot aanmelding van
de geit bij de NOG voor toekenning van het predikaat Bokmoeder B (BMB), een
predikaat dat evenals het predikaat Bokmoeder (BM) voor het leven geldt.
Voor de bokken, geboren uit Bokmoeders B gelden dezelfde eisen als voor bokken
geboren uit geiten met het predikaat Bokmoeder.
6.4. Keurstamboek
Voor het predikaat Keurstamboek (KS) komen volbloedgeiten van de stamboekrassen
in aanmerking, die voldoen aan de volgende exterieur- en productie-eisen:
Exterieur: Algemeen voorkomen en Uier >= 85 punten, de overige onderdelen
van de bovenbalk: >= 80 punten.
Productie: Minimumeisen zijn een CVE van 83 bij een minimum aantal melklijstdagen
van 250.
Ingangsdatum voor dit certificaat is 1-1-2006 voor vanaf die datum afgesloten
melklijsten.
6.5. Stergeit
Het predikaat Stergeit wordt op verzoek van de eigenaar verleend aan geiten,
die zowel in eigen prestatie als in nafok bovengemiddeld zijn. De volgende eisen
worden gesteld aan een Stergeit.
Eigen prestatie: De geit moet ingeschreven zijn in het stamboek; Minimaal één
melklijst dient te voldoen aan de eisen voor Keurstamboek.
Nafok: Er dienen minimaal zes directe nakomelingen te zijn geregistreerd binnen
hetzelfde ras als de Stergeitkandidate.
Van de directe nakomelingen die definitief in het stamboek zijn opgenomen moet
het Algemeen Voorkomen zodanig zijn, dat tenminste vijftien punten worden behaald
volgens onderstaand schema:
85 t/m 89 - 4 punten
90 t/m 100 - 5 punten
De melkproductie van de helft van de in het stamboek geregistreerde dochters
binnen het eigen ras moet voldoen aan de eisen voor Keurstamboek (bij oneven
aantal dochters de kleinste helft).
6.6. Keurbok
Bokken waarvan de fokwaardeschatting voor CVE, op basis van minstens vijfentwintig
dochters, minimaal + 15% is van het landelijk gemiddelde van de gefiatteerde
lijsten in het vorige kalenderjaar, krijgen het predikaat Keurbok (KB).
6.8. Topgeit
Geiten die in eigen prestatie hoog scoren wat betreft exterieurkenmerken én
productie-eigenschappen komen in aanmerking voor het predikaat Topgeit. Het
predikaat wordt eenmalig toegekend aan geiten van de stamboekrassen met een
Algemeen Voorkomen van minstens 88 punten en de productie-eigenschappen voldoen
aan een CVE van 150 bij een minimum aantal dagen van 250 dagen. Ingangsdatum
voor dit certificaat is 1-1-2006 voor vanaf die datum afgesloten melklijsten.
6.9. Ontnemen van predikaten
Het stamboekpredikaat van een bok kan op verzoek van de fokcommissie van het
betreffende ras ingetrokken worden door het bestuur van de NOG, na consultatie
van bestuurslid voor fokkerijaangelegenheden. Hiermee is het dan ook niet meer
toegestaan om het dier in de stamboekfokkerij te gebruiken.
Redenen van intrekking van het stamboekpredikaat kunnen zijn:
Overdragen van erfelijke gebreken;
Overdragen van ras- en kleurafwijkingen;
Slechte vererving van gebruikskwaliteiten.
7. Aan- en afvoer van dieren
7.1. Aan- en verkoop
Indien een geregistreerd dier verkocht wordt aan een ander NOG-lid, moeten de
stamboekpapieren opgestuurd worden naar het stamboeksecretariaat, met vermelding
van naam, adres, lidnummer en UBN van de nieuwe eigenaar. De verkoper is verantwoordelijk
voor de correcte afhandeling. Voor de nieuwe eigenaar is het lidmaatschap van
een vereniging van de NOG vereist voor registratie van dieren op zijn/haar naam.
In alle andere gevallen wordt het dier "buiten stamboek" geplaatst,
wat wil zeggen dat er geen nieuwe nakomelingen van kunnen worden geregistreerd
en het dier niet mag deelnemen aan door de NOG geregistreerde keuringen en andere
activiteiten.
Indien een verkochte geit al gedekt is, dient het dekbewijs te worden meegegeven
aan de nieuwe eigenaar, zodat hij/zij de nakomelingen kan laten registreren.
7.2. Afvoer
Indien het dier voor de dood of voor de handel is verkocht of indien het dier
gestorven is, moeten de stamboekpapieren en eventuele dekbewijzen bij de regionaal
stamboeksecretaris worden ingeleverd met opgave van reden of doel van afvoer.
7.3. Export
Bij verkoop naar het buitenland dienen exportcertificaten te worden meegeleverd.
De verkoper stuurt de gegevens van het betreffende dier, met vermelding van
de nieuwe eigenaar, naar het stamboeksecretariaat, dat ervoor zorgdraagt dat
het exportcertificaat bij de betrokkene komt.
7.4. Import
Importdieren, -sperma en -embryo's kunnen door de NOG worden erkend als officiële
afstammingsgegevens kunnen worden overlegd.
Dieren, geïmporteerd vanuit landen binnen de EU, van overeenkomstige in
Nederland gehouden rassen en ingeschreven in het stamboek van het betreffende
ras, worden direct ingeschreven. Aan geïmporteerde embryo's uit in het
land van herkomst erkende stamboekdieren van een overeenkomstig ras worden dezelfde
eisen gesteld als aan embryo's uit de NOG-stamboek- en registerdieren.
Aan het gebruik van geïmporteerd sperma worden dezelfde eisen gesteld als
bij het gebruik van sperma uit NOG-stamboek- en registerdieren.
April 2010,
NOG-bestuur.