Melkcontrole
Beknopte informatie over de melkcontrole
In het kader van behoud van de erkenning voor reglementeren
en uitvoeren van productieregistratie is de NOG gehouden aan een degelijke melkhercontrole.
De meerwaarde van melklijsten is in de visie van het bestuur
alleen aanwezig, indien de afgesloten lijsten ook een betrouwbare weergave zijn
van de werkelijke productie. Ook in dit kader is controle op monstername een
noodzaak. In de afgelopen jaren heeft geen hercontrole plaatsgevonden, omdat
de veeverbeteringsorganisaties in veel gevallen niet exact weten op welke dag
de monstername plaatsvindt. De planning hiervoor ligt veelal bij de monsternemer.
Om toe te zien op het reglementair verlopen van de melkcontrole, heeft het bestuur
van de NOG beleid gemaakt rond hercontrole van de monstername.
Hierbij zullen regelmatig hercontroles worden uitgevoerd.
De officiële NOG-controleurs hebben we binnen eigen geledingen geworven. W
Wat moet u als deelnemer aan de melkcontrole doen om in aanmerking te komen
voor fiattering van de melklijsten door de NOG:
- Naast het contact wat u op moet nemen met een VVO, veeverbeteringsorganisatie,
CR Delta of Nijland,
neemt u contact op met Erik Schuiling van Op 't Eekt,
Fokwaarde+ als u voor het eerst start met melkcontrole.
Een aanmeldformulier is op hun site, zie de link hieronder, te downloaden.
-Als u begint met melkcontrole geeft u dit tevens door
aan het NOG-meldpunt voor de melkcontrole,
bij Anja ten Tuynte 0345-681562 of per mail i.tentuynte@orange.nl
-Op de dag van de start van iedere monstername belt u het centraal punt voor
de melkcontrole, 0345-681562. (als er niet opgenomen wordt graag inspreken in
het antwoordapparaat) Uw melding wordt vervolgens genoteerd.
-In de praktijk is het voor Erik Schuiling van Op 't Eekt, Fokwaarde+ onduidelijk
wanneer iemand de melklijst stopt of de geit droog zet. Dit wordt waarschijnlijk
wel gemeld aan de VVO maar niet aan Erik en dan blijft het voor hem maar wachtten
op het sein dat de lijst afgesloten kan worden.
Dit probleem kunt u als deelnemer aan de melkcontrole oplossen door duidelijk
op de lijst aan te geven dat een geit drooggezet is en het door te geven aan
Op 't Eekt, FokWaarde+ , dan kan ook de eindlijst gemaakt worden en verstuurd.
-Bij afsluiting van de lijsten volgt pas fiattering als gebleken is dat u alle
controle's gemeld heeft.
Meerdere controleurs zullen enkele malen per jaar een hercontrole gaan uitvoeren,
waardoor de kans aanzienlijk is dat u één of enkele keren per jaar een hercontrole
krijgt. Voor de procedure en de regels rond de melkcontrole verwijs ik u graag
naar de reglementen.
Op 't Eekt, voorheen Fokwaarde+, Productiecontrole
voor melkgeiten en melkschapen
Erik Schuiling
Zoötechnische automatisering
Eekterweg 17
8097 PC Oosterwolde
tel. 0525-621959 fax 0525-621966
E-mail: info@opheteekt.nl
Geinteresseerden in melkcontrole adviseren wij
de site http://www.opheteekt.nl/mpr.HTML te bezoeken,
daar zijn ook formulieren te downloaden voor opgave aan de melkcontrole.
Toelichting bij uitslag melkcontrole en lactatieoverzichten
1. Inleiding
Bij de verwerking van de gegevens van de melkcontrole wordt een berekening gemaakt
van de melkgift, welke in het betreffende jaar (lactatie) tot stand is gekomen.
Daarnaast worden er een aantal kengetallen berekend, waarmee de dieren onderling
te vergelijken zijn, ongeacht leeftijd en aantal lactatiedagen.
Bij de berekeningen wort gebruik gemaakt van correctiefactoren die speciaal
voor geiten en schapen zijn ontwikkeld. Hierdoor wordt het mogelijk de producties
van dieren welke op verschillende leeftijden en in verschillende maanden afgelamd
hebben te vergelijken door middel van kengetallen als lactatiewaarde, CVE en
ISP. Hiertoe worden de gegevens van elk dier omgerekend naar een standaard-lactatie.
De basis voor deze standaardlactatie is een vierjarig dier, welke in februari
heeft gelamd en 305 dagen (geiten) of 240 dagen (schapen) aan de melk zijn.
Na iedere proefmelking wordt een uitslag-formulier toegestuurd, waarop de dieren
in volgorde van stalnummer of naam (als er geen stalnummers gebruikt worden)
staan vermeld. Na afsluiten van de lactatie op een minimum aantal dagen (200
bij geiten en 150 bij schapen) wordt per dier een overzicht van de proefmelkingen
en afgesloten lactaties gemaakt. In de volgende paragrafen worden de bovenvermelde
zaken nader uitgelegd.
Mochten er nog vragen zijn, dan kunt u 's avonds of in het weekend contact met
Erik Schuiling opnemen (tel. 0525-621959).
2. Uitslag proefmelking
Het uitslagformulier van de proefmelking is onderverdeeld in drie delen:
2.1 Bedrijfsgegevens
Dit deel bevat 4 blokken: - linksboven is het totaal van de proefmelking en
het voortschrijdend totaal weergegeven, zowel in kg melk als gemiddeld vet-
en eiwitpercentage. Tevens is de datum van de proefmelking vermeld en tot wanneer
het voortschrijdend totaal is berekend. Deze datum ligt 2 of 3 weken verder
dan de proefmelkdatum, afhankelijk van om de hoeveel weken er wordt gemonsterd.
Daaronder is het verloop van de BSP (Bedrijfs Standaard Produktie) weergegeven.
De BSP is het gemiddelde van de CVE van de individuele dieren (zie aldaar).
De BSP is een maat voor het management en de aanleg van de dieren. Bij verbetering
van het management of bij verkoop van de slechtste dieren zal de BSP toenemen.
Noot. Dit getal komt niet overeen met de BSK bij koeien. Deze laatste heeft
namelijk betrekking op het resultaat van de proefmelking, de BSP heeft betrekking
op het voortschrijdend totaal. - rechtsboven zijn de gemiddeldes van de laatste
drie proefmelkingen weergegeven plus de standaardproefmelking. Voor deze standaardproefmelking
worden de gegevens van de proefmelking omgerekend naar de standaardlactatie.
Hierdoor is het mogelijk proefmelkingen onderling te vergelijken, omdat getracht
is de invloed van leeftijd en aantal dagen aan de melk eruit te halen. - linksonder
is het aantal aanwezige dieren vermeld, onderverdeeld in lacterend (melkgevend)
en droogstaand. Tevens zijn de gemiddelde leeftijd bij aflammen, het gemiddeld
aantal dagen aan de melk van de afgesloten lijsten en de gemiddelde duur van
de droogstand vermeld. - rechtsonder staan uw naam en adres vermeld, plus het
UBN (Uniform Bedrijfs Nummer).
2.2 Groepsgegevens
De resultaten van de dieren zijn samengevat in een 9-tal groepen op basis van
leeftijd en op basis van aantal dagen aan de melk. Tevens is hier het gemiddelde
van alle dieren vermeld. 2.3 Diergegevens Achtereenvolgens worden de volgende
gegevens afgedrukt: - stalnummer (is halsbandnummer of pootbandnummer) - naam
- registratie - geboortedatum (maand en jaar) of, indien dat bepaald is, het
celgetal - de uitslag van de proefmelking: kg melk avond plus morgen, vet- en
eiwitgehalte. Indien de dier niet is gemonsterd is de reden vermeld:
* droog (als de dier niet eerder is bemonsterd wordt ze niet vermeld)
* ziek (kan ook mastitis zijn)
* gemist (het dier is niet bemonsterd, had het wel moeten zijn)
Als de vet- en eiwitgehaltes niet bekend zijn (geen monster of zuur monster,
flesje gebroken enz.) en de melkproduktie is wel bekend, dan worden de gehaltes
geschat aan de hand van de uitslagen van voorgaande monsteringen. In plaats
van een vet- en eiwitgehalte wordt er dan 'fictief' afgedrukt. - het voortschrijdend
totaal: kg melk, dagen, gemiddeld kg melk per dag, gemiddeld vet- en eiwitgehalte,
gemiddelde grammen vet plus eiwit per dag.
Dit betreft de schatting van de totaal geproduceerde hoeveelheid melk in de
lopende (of pas afgesloten) lactatie tot aan de datum zoals die is vermeld bij
de bedrijfsgegevens. Soms staat tussen kg melk en aantal dagen ~ of " vermeld.
Dit betekent dat het dier bij één of meer proefmelkingen niet bemonsterd is
of dat de vet- en eiwitgegevens ontbraken. - waardering van de produktiegegevens.
Deze produktie wordt met behulp van drie kengetallen gewaardeerd: sld (afkorting
van saldo).
Dit is een economisch kengetal op basis van melkopbrengst minus voerkosten.
Aan de hand van de gegevens van de lopende lactatie wordt geschat
wat de dier dit jaar gaat produceren (melk, vet en eiwit).
Er wordt van uitgegaan dat de dier 305 dagen aan de melk zal zijn, tenzij de
dier al drooggezet is of de dier meer dan 305 dagen aan de melk is. In dat geval
wordt de werkelijke produktie gebruikt. De opbrengst van de melk wordt vervolgens
bepaald naar de verwachte uitbetaling van de coöperaties. De voerkosten bestaan
uit voer voor onderhoud (1000 VEM/dag) en voer voor produktie (464 VEM/kg melk
met 4% vet). Het onderhoudsvoer wordt over een heel jaar gerekend, tenzij de
dier meer dan 305 dagen aan de melk is. In dat geval wordt bij het aantal lactatiedagen
60 dagen droogstand opgeteld. De prijs van het voer is een gemiddelde prijs
voor zowel ruw- als krachtvoer, en wordt vastgesteld aan het eind van het voorgaande
jaar. Momenteel worden de volgende prijzen gehanteerd: opbrengst per kg vet
fl. 10,50 , kg eiwit fl. 12,50 en kosten per kg VEM fl. 0,43. Het overblijvende
bedrag (in guldens per jaar) wordt afgedrukt. Dit bedrag is dus puur melkgeld
minus voerkosten per dier. Voerkosten voor lammeren en bokken zitten hier bijvoorbeeld
niet bij in. Evenmin zijn kosten voor stro, water, gebouwen, arbeid enz. in
rekening gebracht. Gebruik het getal dus niet om u rijk te rekenen, maar voor
vergelijking van de opbrengsten per dier.
CVE (afkorting van geCorrigeerde kilogrammen Vet en Eiwit).
De CVE is het aantal kilogrammen vet plus eiwit, wat het dier zou geven als
deze lactatie wordt omgerekend naar een standaardlactatie. Er wordt dus gecorrigeerd
voor leeftijd, maand van aflammen en aantal dagen in lactatie met behulp van
specifieke correctie-factoren. Het kengetal CVE is een maat voor de produktiecapaciteit
van een dier onder de omstandigheden waarin zij wordt gehouden. Omdat het kengetal
voor leeftijd en dergelijke is gecorrigeerd, kan hiermee ook uitstekend de produktiecapaciteit
van dieren van verschillende leeftijden mee vergeleken worden mits zij op hetzelfde
bedrijf voorkomen. (De grootste invloed op dit kengetal hebben de bedrijfsomstandigheden:
voeding, huisvesting, management enz.).
LW (LactatieWaarde).
De lactatiewaarde is direct afgeleid van de CVE. Het gemiddelde van de CVE's
is hierbij op 100 gesteld.
Per dier is de procentuele afwijking van dit bedrijfs-gemiddelde afgedrukt.
Dat wil zeggen een dier met een lactatiewaarde van 120 heeft een 20 % betere
produktiecapaciteit dan het gemiddelde, een lactatiewaarde van 85 wil zeggen
dat ze 15 % minder is dan het gemiddelde.
Noot 1. Aangezien de lactatiewaarde een procentuele afwijking is van het gemiddelde
(de gemiddelde lactatiewaarde is dan ook altijd 100), is zij per dier afhankelijk
van de andere dieren op het bedrijf. Als de slechte dieren worden verkocht,
zullen alle lactatiewaardes dalen, omdat de gemiddelde CVE hoger wordt.
Noot 2. Bij koeien wordt gezegd dat dieren met een lactatiewaarde onder 85 verkocht
zouden moeten worden. Waar deze grens bij geiten en schapen ligt, is nog onbekend.
Noot 3. Een essentieel verschil tussen het saldo enerzijds en CVE en LW anderzijds
is dat de CVE en LW voor leeftijd en aflammaand zijn gecorrigeerd.
Het saldo is dit niet.
3. Lactatieoverzicht
Als de geit of ooi drooggezet is of verkocht of gestorven, wordt er een lactatieoverzicht
afgedrukt, indien zij minimaal 200 respectievelijk 150 dagen gemolken is.
Op dit lactatieoverzicht staan een aantal gegevens van het dier, inclusief ouders
en fokker als deze bekend zijn. Soms is alleen het levensnummer van de ouders
vermeld. Het betreffende ouderdier is dan niet opgenomen in het bestand van
Fokwaarde+, waardoor de naam niet bekend is.
Tevens kunnen de exterieurbeoordeling en de fokwaardeschatting vermeld zijn.
Voor het berekenen (en dus vermelden) van de fokwaardeschatting moeten er minimaal
tien melkgevende dieren op het bedrijf zijn, omdat er anders geen goede vergelijking
met de overige dieren op het bedrijf gemaakt kan worden.
Onder deze algemene gegevens zijn aan de linkerzijde de resultaten
van de proefmelkingen vermeld, met het daarbij behorende voortschrijdend totaal.
Rechts daarvan zijn de afgesloten lactaties vermeld.
Geheel onderaan vindt u links het eindresultaat van de afgesloten lactatie met
daaronder de ISP welke daarbij hoort.
De ISP (Individuele Standaard Produktie) geeft aan wat de dier zou hebben gegeven
als zij vier jaar oud was geweest, in februari had afgelamd en 305 dagen was
gemolken (de zogenaamde standaardlactatie).
Deze ISP wordt overigens pas berekend als het dier minimaal 250 dagen aan de
melk is geweest.
Rechts daarvan is het totaal van de bekende melkgiften van het dier weergegeven
met daarbij het daggemiddelde plus de gemiddelde gehaltes. Daaronder is de gemiddelde
ISP vermeld, dat wil zeggen dat elke lactatie naar een standaardlactatie is
omgerekend, waaruit vervolgens het gemiddelde is berekend.
Linksonder wordt, bij deelname aan de melkcontrole via het NOG, het eventuele
fiat vermeld.
Dat wil zeggen dat de afgesloten lijst door het NOG wordt erkend.
De voorwaarden voor deze fiattering zijn in het melkcontrolereglement van de
NOG opgenomen
4. Mutatieformulier
Na elke toevoeging van dieren wordt automatisch een nieuw mutatieformulier meegestuurd
met de uitslag van de melkcontrole.
Zodra er nieuwe dieren mee gaan doen aan de melkcontrole, dienen de gegevens
van deze dieren op het mutatieformulier te worden vermeld en moet het formulier
aan de monsternemer worden meegegeven. Belangrijk is dat u in ieder geval het
levensnummer en de geboortedatum van de dieren opgeeft.
Als het eerste deel van het levensnummer uw UBN is, kunt u volstaan met het
vermelden van een 'u'.
Bijvoorbeeld uw UBN is 1234567 en het levensnummer van het dier is 1234567NL96015,
dan hoeft u alleen uNL96015 te vermelden.
Deze mogelijkheid is er natuurlijk niet als het aangekochte dieren betreft,
omdat dan het oornummer niet overeenkomt met uw UBN.
In dat geval moet het volledige levensnummer worden vermeld.
Als de dieren geen stalnummer (halsbandnummer, pootbandnummer
of iets dergelijks) hebben, hoeft u dit niet in te vullen.
Voor zover de ouders bekend zijn, ook graag de levensnummers van de ouderdieren
opgeven. Indien deze ouders in het bestand zitten van Fokwaarde+ worden ze vermeld
op het lactatieoverzicht en kunnen er fokwaardes worden berekend. Op dit formulier
is tevens aangegeven of u officiëel aan de melkcontrole voor geiten via de NOG
deelneemt (in dit geval is de mogelijkheid 'ja' onderstreept). Als hierin geen
wijziging is gekomen, hoeft u dit vakje verder niet in te vullen.
5. Verkoop en droogzetten
Indien er dieren worden verkocht, kan de monsternemer dit op het proefmelkformulier
vermelden.
In de meeste gevallen wordt de lopende lijst dan afgesloten en krijgt u, als
er voldoende lactatiedagen zijn een lactatieoverzicht toegestuurd.
Gaat het dier naar een andere deelnemer in de melkcontrole, dan wordt de eventueel
nog lopende lijst bij de nieuwe eigenaar verder afgemaakt.
In dit laatste geval is het handig als koper en/of verkoper op het proefmelkformulier
vermelden waar het dier naar toe gaat of waar hij vandaan komt.
Als de geiten of ooien zijn drooggezet of als u ze binnenkort droog gaat zetten,
dient dit op het proefmelkformulier te worden vermeld.
Alleen dan wordt namelijk de melklijst afgesloten, wordt er een lactatieoverzicht
gemaakt en wordt de lijst eventueel gefiatteerd en aan de fokkerij-organisatie
doorgegeven. Het droogzetten kunt u doorgeven bij de laatste monstering van
de dieren als u het toch zeker weet (op het proefmelkformulier dient dan zowel
de melkgift als de code voor droogzetten vermeld te worden) of bij de eerste
monstering waar het dier droog staat. Het voordeel van het doorgeven bij de
laatste monstering is, dat u de het lactatieoverzicht veel eerder toegestuurd
krijgt.